Het beest dat criminaliteit heet

Hoe pak je het beest aan dat criminaliteit heet? Door het op te jagen, te vangen en achter tralies te zetten. Tenzij je criminaliteit niet als een beest maar als een woekerend virus ziet. In dat geval kies je voor een gezonde leefomgeving en heilzame opvoedpraktijken.

Dit blijkt uit onderzoek van de universiteit van Stanford naar de framing van maatschappelijke problemen. Deelnemers aan het onderzoek kregen teksten te lezen waarin criminaliteit in het ene geval werd beschreven als een gevaarlijk beest dat de stad in zijn greep hield, en in het andere geval als een virus dat zich in de gemeenschap verspreidde. De teksten gaven dezelfde feiten en cijfers. Daarna moesten de deelnemers oplossingen voor het probleem verzinnen. Het bleek dat lezers van de beest-tekst kozen voor repressieve maatregelen, waar de lezers van de virus-teksten kozen voor een preventieve aanpak. De metafoor bleek een grotere invloed te hebben op de gekozen oplossingen dan de politieke voorkeur van de deelnemers. Lees verder

Woordgebaren

Woorden hebben een dubbelslachtige reputatie. Enerzijds gaat alles over woorden. We doen ons werk door te praten, overleggen, rapporteren, notuleren, noem maar op. Anderzijds staan woorden voortdurend in de schaduw van daden. “Geen woorden maar daden” luidt het moedige strijdlied. Wie indruk wil maken op zijn of haar baas, noemt zichzelf een doener, een aanpakker. Geen loze woorden, dikke nota’s of mooipraterij – het gaat om de actie. Het woord is het bedlegerige broertje van de daad.

Tegelijk valt er veel op de tegenstelling af te dingen. Je kunt immers zeggen dat iemands daden voor zich spreken. Je kunt het ‘zeggen met bloemen’ en iemands gedrag kan boekdelen spreken. Omgekeerd ‘doen’ woorden altijd iets. Als ik zeg: ‘Het tocht’, dan praat ik niet zomaar wat voor me uit, maar doe ik een (verdekte) oproep aan anderen:’Doe dat raam dicht’. Niet voor niets heet het beroemde essay van John Austin, de grondlegger van de taalhandelingstheorie, “How to do things with words”

Ondertussen heb ik heel wat woorden vuil gemaakt, maar is er nog vrijwel niets gebeurd. Zeker wie een hekel heeft aan doelloos gepraat, verdient nu op zijn minst een kleine hint omtrent de praktische relevantie van zulke woorddribbels. We zouden het immers hebben over organisaties, over het communicatievak, over taal en wat we daarmee kunnen doen… Lees verder

Verander je taal en je organisatie

Ooit werkte ik bij een organisatie die was ingedeeld in sectoren en afdelingen. Zowel de afdelingen als de sectoren hadden namen die uit twee elementen bestonden. Zeg maar namen als: ‘Methoden en onderzoek’, ‘Ramen en deuren’, ‘Ham en kaas’. De namen drukten zowel inclusiviteit als nuance uit: we staan niet alleen voor dit ene opgesteld, dat andere behoort ook tot onze taken. We richten ons weliswaar op de ontwikkeling , maar verliezen daarbij het beheer niet uit het oog. Zelden of nooit verscheen er een derde loot aan de stam of besloot men het bij één schone taak te houden. Lees verder

Vrijdag fruitdag

Op de basisschool van mijn dochtertjes werd in het afgelopen jaar de vrijdag tot ‘fruitdag’ uitgeroepen. Want ouders en leerkrachten vinden dat kinderen vaker fruit moeten eten in de pauzes.

Hoe waarschijnklijk is het dat deze ‘vrijdag fruitdag’  inderdaad de fruitconsumptie zal bevorderen ten koste van de consumptie van koek en snoep? Als ik afga op wat andere ouders op het schoolplein vertellen, mogen we het optimisme temperen. “Sinds die fruitdag er is, geven we alleen op vrijdag een appeltje mee”, zei een moeder schuldbewust. Ik vond dat herkenbaar.

Het zou me niet verbazen als het effect van de maatregel is dat er per saldo heel wat minder fruit wordt gegeten. Ook mijn eigen eerste reactie was zoiets als: “Het is blijkbaar heel gewoon om elke dag koek mee te geven. Hebben we onze dochter al die tijd tekort gedaan met die verantwoorde tussendoortjes?” De sociale bewijskracht deed zijn werk. Onbewust stopten we wat vaker een koek in haar tas.

Ook kregen we last van het spaarlamp-effect. Het is bekend dat spaarlampen veel energiezuiniger zijn dan gloeilampen. Maar het blijkt ook dat mensen spaarlampen veel langer laten branden dan gloeilampen. Want ze zijn toch zuinig. Datzelfde heb je met lightproducten. Daar eten we veel meer van omdat ze licht zijn.

Zoiets gebeurde ook met onze fruitvrijdag. Appels schillen op de vroege ochtend was toch al nooit mijn hobby. Nu de gezonde dag was ingeboekt, was de druk van de ketel.  De andere dagen deden we niet meer moeilijk.

Wie heeft er meer huis-tuin- en keukenvoorbeelden van gedragsinterventies met een averechtse werking?